Bram en Griet in Burundi

.
.
.


donderdag 14 mei 2009

Kinder Surprise: kinderrechten in Benin

Hélène, een Benins meisje van twaalf, verkoopt zakjes water op de markt van Dantokpa in Cotonou. Op de vraag wat ze de hele dag doet, antwoordt ze: “Ik loop rond en ik blijf verkopen tot mijn mand leeg is, want anders durf ik niet naar huis.” Hélène is een “vidomegon”, een meisje dat op haar zesde als huishoudhulpje ‘geplaatst’ werd bij een verre kennis in de stad, omdat haar ouders niet in haar onderhoud konden voorzien. Ze wordt verplicht het huishouden te doen en zakjes water te verkopen op de markt of huis aan huis. Ze is naar de stad gekomen met de belofte er een betere scholing te krijgen. Zes jaar later spreekt ze echter amper Frans en heeft ze nog nooit een school van binnen gezien.

Dit jaar viert het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind haar twintigste verjaardag. Wat betekent dit voor een kind in een ontwikkelingsland als Benin? Zoals in vele West-Afrikaanse staten vormt de kustzone van Benin, met de metropool Cotonou, het politieke, economische en demografische zwaartepunt van het land. Maar in tegenstelling tot grootsteden als Dakar, Abidjan of Lagos zijn bedelende straatkinderen zo goed als afwezig in het straatbeeld. Dit doet een gunstigere situatie voor de Beninse kinderen vermoeden, maar schijn bedriegt. In Benin zit kinderarbeid en zelfs kinderhandel diep geworteld in de samenleving .


“Vidomegon” of “confiage” (toevertrouwen) is een traditie die erg verankerd is in de Beninse cultuur. Oorspronkelijk liet deze strategie ouders toe om kinderen een betere scholing en betere levensomstandigheden te bieden, namelijk door hen tijdelijk onder te brengen bij een familielid met meer financiële mogelijkheden. Deze praktijk werd dan ook beschouwd als een uiting van traditionele solidariteit onder familieleden of in een gemeenschap. Dit sociaal mechanisme werd echter aangetast, onder invloed van de economische crisis in de jaren tachtig; een trend die zich verder zette in de jaren negentig. Door de crisis groeide de informele sector aan, en tegelijk nam ook de vraag naar goedkope handenarbeid toe, vooral in de nijverheids- en de commerciële sector. In deze context vulde de aloude praktijk van ‘confiage’ gemakkelijk de vraag naar goedkope arbeidskrachten op. Tussenpersonen begonnen zich te organiseren en gingen actief op zoek naar minderjarigen op het platteland voor derden in de stad. Sindsdien wordt in ruil voor scholing, een klein loon, kleren, cadeaus of een globale som met de ouders een akkoord bereikt. Sommige ‘vidomegons’ leren effectief een beroep aan of volgen onderwijs. Maar al te vaak zijn ze slachtoffer van fysiek, psychologisch of seksueel geweld.


Vandaag mondt de oorspronkelijke praktijk van ‘vidomegon’ onder invloed van externe factoren vaak uit in een problematiek van kinderhandel en kinderuitbuiting. De slachtoffers van deze handel komen veelal uit grote, arme families en hebben nooit (70%) of weinig (30%) scholing genoten. De helft van hen is tussen 10 en 14 jaar oud, een derde tussen 15 en 17 en een vijfde tussen 6 en 9 jaar.(1) De meerderheid onder hen zijn meisjes, wegens hun inzetbaarheid in het huishouden of in de commerciële sector. Deze kinderen, die soms tot honderd uur per week werken, ontberen voeding, rust en ontspanning en hebben nauwelijks toegang tot gezondheidszorg.


De ontaarding van de traditie van ‘vidomegon’ ligt dus in grote mate aan de basis van de nationale en zelfs internationale kinderhandel. Maar hoe kan deze problematiek blijven voortbestaan in een land dat in 1990 het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) ratificeerde en in 2001 bovendien het ‘Facultatief Protocol betreffende de verkoop van kinderen, prostitutie en pornografie’?


Het overgrote deel van de schendingen van de rechten van het kind komen voort uit de extreem moeilijke sociaal-economische context. In Benin leeft bijna de helft van de bevolking onder de internationaal bepaalde armoedegrens van 1 Dollar per dag. Het ligt dan ook voor de hand dat de hoofdoorzaak van kinderhandel en –uitbuiting te zoeken is in deze situatie van armoede, zowel langs de vraagzijde als de aanbodzijde. De belangrijkste reden voor ouders om hun kinderen bij een derde onder te brengen is immers het “bieden van een betere toekomst” aan het kind. Bovendien zijn ze er ook vaak van overtuigd dat het kind in goede omstandigheden wordt opgevangen. Die onwetendheid wordt in de hand gewerkt door de tussenpersonen, vaak gekend door de familie, die er alle belang bij hebben om die mythe in stand te houden.

Kinderarbeid wordt in het algemeen ook aanvaard door de Beninse gemeenschap. Ondanks art. 32 van het IVRK en het ‘Verdrag 138’ van de Internationale Arbeidsorganisatie – geratificeerd en overgenomen door Benin in haar Arbeidswetboek – dat arbeid onder de 14 jaar verbiedt, werkt maar liefst 66% van de kinderen tussen 5 en 14 jaar. De meerderheid van de kinderen werkt 4 à 8 uur per dag en een aanzienlijk deel (13% van de 5 tot 17-jarigen, 10% van de 5 tot 14-jarigen) werkt zelfs meer dan 8 uur per dag.(2) In het straatbeeld van Cotonou dus geen bedelende kinderen, maar wel overal kinderen aan het werk: als verkoper van groenten en fruit, als hulpje van de loodgieter of de elektricien, als arbeider bij de bouw van een huis. Maar ook in de kleinere steden en in de dorpen worden minderjarigen aan het werk gezet: op het veld, in het huishouden, bij de verkoop van de landbouwproducten…


Het spreekt voor zich dat kinderen die vanaf jonge leeftijd al meer dan 4 uur per dag werken geen reële toegang hebben tot onderwijs. Onderwijs wordt niet gezien als een recht van het kind, maar eerder als een zware belasting op het inkomen. In theorie is onderwijs verplicht voor alle kinderen tussen zes en elf jaar, maar bij gebrek aan controlemechanismen van de overheid wordt deze regel in de praktijk niet nauwgezet opgevolgd. Bovendien spelen naast economische overwegingen ook socio-culturele opvattingen over kinderen een grote rol bij de beslissing om een kind al dan niet naar school te sturen. Grote gezinnen zijn legio in Benin (6,3 kinderen per vrouw), polygamie is een wijd verspreid gebruik en familieplanning blijft een gevoelig onderwerp. Een kind is dus één van de vele handen die een bijdrage moeten leveren aan het huishouden, en wordt veel sneller als volwassene behandeld. De keuze tussen naar school gaan of voor inkomsten zorgen is dan ook vaak snel gemaakt.


Naast de sociaal-economische en culturele context, bieden de institutionele tekortkomingen een verklaring voor de situatie. Het spreekt voor zich dat kinderhandel en –uitbuiting onmogelijk te bestrijden zijn wanneer er geen efficiënte bestraffingsmechanismen bestaan.

Op juridisch vlak beschikt Benin nochtans over verschillende instrumenten. Zo is er de wet van 10 april 2006 betreffende de voorwaarden voor het (ver)plaatsen van kinderen en de bestrijding van de kinderhandel. Met de hulp van UNICEF werd in 2007 het “Kinderwetboek” (Code de l’Enfant) samengesteld met alle wetten die betrekking hebben op kinderen in Benin. Eveneens met ondersteuning van UNICEF stelde het Ministerie van Familie en Nationale Solidariteit een vijfjarig nationaal actieplan op (van 2008-2012) waarin ondermeer veel aandacht wordt besteed aan de versterking van de institutionele actoren.(3)Het Comité voor de Rechten van het Kind moedigde in 2006 Benin trouwens aan om werk te maken van de uitvoering van de wettelijke bepalingen en het versterken van lokale structuren die actief zijn op vlak van preventie en bestrijding van kinderhandel en -uitbuiting.(4)


Deze lokale structuren zijn de ‘Brigade de Protection des Mineurs’, de politiediensten, de sociale centra, de lokale comités ter bestrijding van de kinderhandel en de NGO’s. De ‘Brigade de Protection des Mineurs’ dient als eerste lijnsdienst gecontacteerd te worden bij alle gevallen van overtredingen door of tegen minderjarigen. Ze is bevoegd om klachten te onderzoeken en door te verwijzen naar de Jeugdrechter. Deze Brigade is helaas, door een gebrek aan middelen, vooral actief in Cotonou en nauwelijks op het platteland. Bovendien is de Jeugdrechter door weinigen gekend. Men kan trouwens slechts vanaf 21 jaar zelfstandig een klacht voor de Jeugdrechter brengen. Onder de 21 jaar dient men te worden vertegenwoordigd door zijn ouders en de ouders moeten aanwezig zijn wanneer de minderjarige gehoord wordt, een detail dat van groot belang is wanneer de ouders in het conflict of de overtreding betrokken zijn.


In de dorpen zijn het vooral de sociale centra en de lokale comités ter bestrijding van de kinderhandel die door de bevolking worden aangesproken bij gevallen van kinderhandel. Deze comités zijn opgericht door het Ministerie van Familie (met ondersteuning van UNICEF) om de mobiliteit van minderjarigen in hun gemeenschap te controleren en gevallen van kinderhandel aan te geven aan de politie. Ondanks alle publiciteit die rond deze comités is verspreid, wordt hun werk ondermijnd door een gebrek aan middelen en motivatie (De comités bestaan meestal uit vrijwilligers). Ook de motivatie van de verantwoordelijken van de sociale centra lijdt onder de hoge werkdruk, en een gebrek aan personeel en aan materiaal.

Bovendien zijn de wettelijke bepalingen en het justitiesysteem nauwelijks bekend bij de Beninse bevolking, zelfs niet bij de lokale besturen of politiediensten. Als ze er al enigszins mee vertrouwd zijn, is de financiële of administratieve drempel voor de meeste te hoog om ook daadwerkelijk beroep te doen op het juridische systeem. Gevallen van wetsovertredingen of conflicten komen daarom maar al te vaak terecht bij de burgemeester, de dorpschef of de politie die hier autonoom over beslissen. Zo worden mensen opgesloten in een politiekantoor en/of vrijgelaten op borgtocht zonder enige wettelijke basis. Burgemeesters beslissen wie eigenaar is van een bepaald stuk grond, de dorpschef betwist een echtelijke ruzie, … Ook gevallen van kinderhandel en –uitbuiting worden vaak op deze manier afgehandeld.


Dit heeft nefaste gevolgen, niet alleen voor de daders zelf (principes van eerlijk proces), maar ook voor de toekomstige slachtoffers. Wanneer kinderhandelaars immers hun gang kunnen blijven gaan, de bevolking niet geïnformeerd wordt over eventuele vervolgingen en de overheid dus geen duidelijk afkeurend signaal geeft, verliezen de preventie- en sensibiliseringscampagnes van de NGO’s aan impact en lijken de vele opvangcentra voor slachtoffers van kinderhandel een doekje voor het bloeden .


De overheid is de belangrijkste actor en katalysator voor een duidelijk zichtbaar repressief optreden. Dit is een mogelijke reden waarom NGO’s en internationale organisaties de repressieve kant van het verhaal lijken te verwaarlozen en zich meer concentreren op activiteiten waarin het aandeel van de overheid kleiner is, zoals sensibilisering, het aanklagen van schendingen van de rechten van het kind, het opvangen van slachtoffers en het bevorderen van hun scholing en socio-professionele integratie. Het is echter betreurenswaardig dat zelfs het Comité voor de Rechten van het Kind niet meer nadruk legt op het belang van repressie in haar aanbevelingen voor Benin.(5)


Bemoedigend anderzijds is het reeds vernoemde vijfjarig actieplan “Protection de l’Enfance au Bénin” (2008-2012) dat voorziet in de uitwerking, de verspreiding en effectieve toepassing van de wetten ter bescherming van het kind. Een tweede en derde pijler van dit plan zijn de versterking van de institutionele capaciteiten en een verbetering van de sociale diensten ter preventie en opvang van de kinderen. In concreto zouden in de komende jaren aldus de rechtbanken, de politiediensten, de ‘Brigade de Protection des Mineurs’ en de sociale centra van extra middelen worden voorzien en zouden de lokale NGO’s ondersteund worden. Samen met de twee laatste pijlers waarop het actieplan gestoeld is, met name de verbetering van de kennis over de situatie van het kind en de bevordering van een cultuur gebaseerd op respect voor de rechten van het kind, lijkt dit een zeer evenwichtig, omvattend, en kostelijk actieplan. Dit samenspel van inspanningen op sociaal-economisch én op institutioneel vlak, ondersteund door internationale organisaties, NGO’s én de overheid, lijkt alvast een goed begin. De vraag blijft hoe dit plan in de praktijk zal omgezet worden. Rendez-vous in 2012 voor een nieuwe stand van zaken?


(1) Etude nationale sur la traite des enfants, Ministère de la Famille et de la Solidarité Nationale Bénin et UNICEF, 2007.
(2) Enquête démographique et de santé 3 (EDS III), Benin, 2006.
(3) Protection de l’Enfance au Bénin. Plan d’Actions stratégiques quinquennal 2008-2012, Ministère de la Famille et de la Solidarité Nationale, République du Bénin, 2007.
(4) Consideration of reports submitted by States Parties under Article 44 of the Convention, Concluding Observations Benin, CRC/C/BEN/CO/2, Committee on the Rights of the Child, Forty-third session , 29 September 2006.
(5) Consideration of reports submitted by States Parties under Article 44 of the Convention, Concluding Observations Benin, CRC/C/BEN/CO/2, Committee on the Rights of the Child, Forty-third session , 29 September 2006.

4 reacties:

Ans zei

hey griet,

heb deze bijdrage met interesse gelezen. Misschien gebruik ik er wel een stukje van in mijn les. Ik geef Mavo aan een kankerpatiëntje en we zijn bezig met een hoofdstuk over "kinderrechten". We hebben een stukje gelezen over de kinderuitbuiting in Port-au-Prince, Haïti. Daar heten de kinderen die naar "familie" in de stad gestuurd worden "Restaveks" (van het Franse: rester avec).

Griet zei

Grappig, die naam "restaveks" ... weliswaar voor een heel wat minder grappige situatie.
Merci voor t lezen!

casa da poesia zei

"Negema wangu binti"

Gatto999 zei

Great photos !...

Ciao from Italy
:)